In de wachtkamer zat ik samen met Marten te wachten op
het moment dat ik opgeroepen zou worden.
Het was die dag een extreem koude dag en lopen kon ik nog steeds niet goed. Ik keek op toen
er een man binnen kwam. Ik kon alleen zijn rug zien. Vreemd, hij had precies
het postuur als dat wat mijn vader ooit had gehad. Slank, mager bijna. Ik
schatte hem dezelfde leeftijd ook. Hij droeg net zo’n vreemde kleur oranje
lichtbruine trui. Een kleur die alleen maar bepaalde type mensen staat. Hij had
een iets lichtere tint als mijn vader dat wel maar verder leek hij er toch heel
veel op. Ik keek nog eens naar de man en moest glimlachen. Onbewust zuchtte ik.
Dit had mijn vader kunnen zijn dacht ik. Ik liep zo goed als dat ging naar de
kapstok waar de man nog bezig was met zijn jas uit te doen. Ik keek de
man aan en zei : ”dat is een goed idee. Ik hang mijn jas ook maar op anders krijg ik
het straks nog kouder. De man keek mij kort glimlachend aan. Ik liep al weer
terug en had genoeg gezien.
De man ging tegenover ons zitten en zei met een zachte
stem: “Koud he. Ik kom helemaal van de stad en heb goed opgelet met mijn hoofd
maar ook met mijn hart.Terwijl hij zijn hand op zijn hart neer vleide. Hij
keek mij vriendelijk aan.
Vandaag valt het nog mee vergeleken met van de week zei Marten.
Toen was het nog kouder. Ja, zei de man, ik heb me toch koude voeten. Ik knijp
mijn tenen nu ik hier zit ieder keer in elkaar dan blijven ze lekker warm.
Terwijl hij dat zei bewoog hij met zijn oude toch nog lenig uitziende vingers
alsof het zijn tenen in zijn schoenen waren. Ik heb het nog nooit zo koud mee
gemaakt hier in Holland. Toen ik pas aankwam was het ook zo koud in 1954/1955
zei de man. Dat kan kloppen, zei ik, dat zei mijn vader
ook altijd. Ach, zei de man, kwam uw vader dan ook uit Indonesiƫ? Ik knikte.
Hij lichte op en zei:,,van waar kwam uw vader dan als ik vragen mag? Van
Soerabaja ?´´ Dat niet, zei ik. Ach, wat jammer, zei de man. Soms ontmoet je
elkaar weer op vreemde plekken of via onbekende mensen.
Hij vertelde dat toen hij weer eens terug was geweest in
Indonesiƫ hij er een man had ontmoet die er als zwerver bij liep maar die, naar
later bleek, perfect Nederlands sprak en
uit Leeuwarden kwam. Eigenlijk helemaal niet iemand om van te verwachten dat
hij zwerver zou worden in Indonesiƫ. Vreemd hoe het kan lopen, zei de man.
De man praatte zacht en ik kon merken dat hij intelligent
was en dat hij alles was wat mijn vader niet was geweest. Behalve dan dat ze allebei intelligent waren
en dezelfde goed smaak van kleren hadden. Dezelfde soort moderne bruine schoenen, dezelfde bloes en dezelfde soort trui,
broek en jas. Dezelfde uitstraling ook, op een bepaalde manier, alleen deze man
was wie hij was en dat was goed.
Dat was mijn vader niet. Dat was mijn vader nooit. Mijn
vader praatte nooit en zeker niet met een liefdevolle zachte stem. Mijn vader
was tijdens zijn leven zichzelf al lang geleden kwijt geraakt aan een
oorlogsverleden wat hem zijn hele leven heeft achtervolgd. Mijn vader was heel
intelligent, en had een heel sterk karakter en was altijd vol doorzettingsvermogen geweest. Mijn
vader was een bijzonder man. Maar mijn vader was nooit een echte vader geweest hoe hij ook zijn best deed om dat te zijn. Hij
was wel mijn vader. Van wie ik altijd heel veel hield en ik wist dat hij dat
ook van mij deed. Vlak voor dat hij stierf zei hij mij dat ook. Mijn vader… het
was een vreemde man. Vervreemd van de wereld en van zichzelf. Levend in zijn
eigen wereld.
Psychisch, eigenlijk al vanaf zijn jeugd, was mijn vader langzaam aan kapot gegaan. Zijn
vader was gestorven in gevangenschap tijdens de Japanse bezetting en dat had mijn
vader van dichtbij meegemaakt. Toen mijn vader uiteindelijk in Nederland
aankwam had hij er met zijn ong.20 jaar al een half mensenleven op zitten en
hoopte hier op een nieuw leven. Met hoop op een terugkeer naar de Molukken.
Naar zijn familie. Niet wetende dat dat nog heel lang zou gaan duren en dat hij
zijn geliefde moeder nooit weer zou zien en dat hij haar altijd zou blijven
missen tot aan zijn sterfbed toe. Niet wetend dat hij hier zou trouwen zonder zijn
directe familieleden om hem heen, kinderen zou krijgen, een leven vol heimwee
zou krijgen en hier zou sterven om in de Nederlandse aarde begraven te worden.
Met als enige familie zijn gezin.
De eeuwige heimwee naar al wat hem lief was geweest,
heimwee naar dat wat was, naar een land dat allang niet meer bestond, zoals hij
het had achter gelaten. Verscheurd…tussen wat was, wat is en wat had moeten
zijn. Degene die hem lief hadden, zijn vrouw en kinderen, die kon hij tegen het
einde van zijn leven steeds moeilijker zien. Af en toe wel om langzaam aan te
verzanden in de wurg greep van het donker. Het verleden. Hij wist het zelf
niet. Hij had het ook niet door. Soms wel,…. maar dan werd alles weer grijs.
Dan zei hij: wat gebeurt er toch met me Juul. Waarom heb ik het zo koud en waarom doet mijn hoofd zo raar. Ik wist wel waarom maar kon hem dat niet zeggen en ook niet uitleggen. Hij zei dan:” ik hoop dat niemand van jullie dit hoeft mee te maken wat ik mee maak”
Dan zei hij: wat gebeurt er toch met me Juul. Waarom heb ik het zo koud en waarom doet mijn hoofd zo raar. Ik wist wel waarom maar kon hem dat niet zeggen en ook niet uitleggen. Hij zei dan:” ik hoop dat niemand van jullie dit hoeft mee te maken wat ik mee maak”
En gek genoeg nu, als ik er op terug kijk, heeft hij heel
erg lang letterlijk en figuurlijk het hoofd boven water weten te houden op een
wel heel bijzondere moedige, dappere en knappe manier. Want wat hij meemaakte
was inderdaad verschrikkelijk en moeilijk uit te leggen aan andere mensen als
je het niet zelf hebt mee gemaakt of van dicht bij hebt meegemaakt. Mijn vader….die
heel zijn leven lang op verschillende manieren tegen de demonen van het
verleden had gevochten stierf uiteindelijk in maart 2011 nu twee jaar geleden op 80
jarige leeftijd. Tot het eind toe bleef zijn hart sterk. Net zoals hij zelf
altijd ongelofelijk sterk en wilskrachtig was geweest in de hoop te kunnen
winnen van het verleden. Hij verdronk
letterlijk opnieuw maar nu in zijn eigen longvocht. Het duurde te lang, de dood
duurde te lang en zijn hart bleef maar kloppen terwijl het vocht al over zijn
lippen kwam. Deze dood gunde ik hem beslist niet maar er was niets dat we
konden doen voor hem in dat opzicht.
Samen met mijn zusje hebben we mijn vader geholpen met
sterven zo goed als we konden en geprobeerd en hem te beschermen tegen de
demonen die hij tegen zou komen. Met
mijn moeder naast zijn zij en mijn andere zusjes om hem heen stonden wij
biddend aan het voeten eind van zijn bed.Telkens als het donker kwam wisten
mijn zusje en ik hem met behulp van het Hogere, het licht, onze gidsen en heel veel
engelen uit de klauwen van het donker te houden.
Mijn vader…… de prijs van een heel leven. Ik vond hem erg
groot, die prijs, maar wie ben ik, ik kan niet verder kijken dan dat ik kijk.
Uit de verte hoor ik een stem die mij uit mijn
gepeins haalt en ik kijk op. Het is de huisarts. Ze vraagt of ik mee kom. Ik sta op en
groet de oude man en zeg met een glimlach tegen de huisarts en de man:’’ en het
was net zo gezellig hier